Jan

De zon piept naar binnen door de vlekkerige linnen gordijnen. Er zitten strepen op het kleine beetje raam dat nog zichtbaar is. Stofdeeltjes dansen in het binnenkomende licht. Een paringsdans van vies en vunzig in de lucht. Het water klotst wild tegen de wal en de zijkant van het schip. De boot is al oud. 

De verf is afgebladderd en mos en algen groeien tegen de ruwe wangetjes van de boot. Je kan zien dat ze ooit een mooi schip was. Nu al net zo oud en vergaan als haar bewoners. 

Hij ploft achterover in de stoel van zijn vader. Gele vlekken, waarvan al lang niet meer te identificeren is waarvan ze zijn, sieren zijn witte shirt. Hij komt net terug van een tergende dag op de rommelmarkt. Overal die klote lui.  

Een mooie buit, dat wel. Gedroogde blaadjes Edelweiss, uit Tirol, in een glazen schijfje. Een rare ijzeren houder om ansichtkaarten in te bewaren. En het pronkstuk, een barokken asbak voor z’n wijf. Een romantisch tafereeltje erin gesneden. Met slechts luttele assporen erin. Hij houdt z’n handen voor z’n mond. Trillende vingers met het vloeitje ertussen. Met een lome, dierlijke beweging haalt hij zijn tong over de plakrand. Een draad van speeksel blijft hangen. Hij kijkt om zich heen. Alsof iemand hem zou kunnen betrappen op dit onooglijke tafereel. Ha. Alsof het hem iets zou interesseren.  

Ik sta aan het aanrecht. Ik kijk naar hem. Een rilling trekt over m’n wervelkolom. Gatverdamme. Dat vettige haar. Die ongewassen kleding. Ze doen me walgen. 

De shaglucht die dag en nacht in de kamer hangt. Het rode gloeiende puntje in het donker. Het kraken van de oude stoel. Waardoor ik er keer op keer aan herinnerd wordt dat hij er nog steeds is. Vaak hoop ik dat dat puntje ineens gedoofd is. Het geluid van de stoel verdwenen is. Dat híj verdwenen is. Om nooit meer terug te komen… Er was een tijd dat hij alles was wat ik nodig had. Een tijd dat ik opgewonden werd van de opgebolde aderen die als slapende slangen op zijn gespierde onderarmen rustten. Van z’n handen. Groot als kolenschoppen. Het lange bruine haar in zijn nek. De stekelige korte stoppels op zijn wangen. Dat ik me als een tienermeid op z’n schoot vleide. Dat hij z’n grote handen om mijn billen legde en zijn tong langs m’n sleutelbeen liet gaan…

We zijn elkaar vergeten. Hij ziet mij niet. En ik zie hem maar al te goed. In al zijn verneukte glorie. Soms sta ik in de kamer en is het net alsof hij door me heen kijkt. Alsof ik één ben met de stofjes in de lucht. Ik vraag of hij koffie wilt. Eén keer. Geen reactie. Twee keer. Geen reactie. Ik voel een baldadig gevoel opborrelen, diep in m’n onderbuik.  Gillend, brandend, tierend vindt het zijn weg naar boven. Je zal me aankijken verdomme. Eigenlijk wil ik hem slaan. Schreeuwen. Op zijn borst trommelen en in zijn gezicht spugen. Keihard 

tegen het zachte, vlezige gedeelte tussen zijn benen in trappen. M’n nagels in zijn 

handen priemen… In plaats daarvan tik ik met m’n elleboog een kopje van het aanrecht. Er volgt gekletter. Scherven op de grond.

“GODVERDOMME KANKERWIJF. KAN JE NOU NIKS?!”

Ha, nu zie je me.

Hij staat op de boeg van de boot. Te pissen. Heeft natuurlijk alweer te veel gezopen. Zat de hele nacht in de stamkroeg, vast met z’n gore neus in de poeier. Het is vijf uur ’s middags. In Jan’s wereld bestaat er geen gepaste tijd voor ongepast gedrag. Daar maakt hij wel tijd voor. Ik kijk door het vieze glas van de kajuit.

In gedachten ben ik geruisloos achter hem gaan staan. Sla ik liefdevol mijn armen om hem heen. Zoals vroeger. Voel ik zijn weerbarstige haar door zijn hemd heen prikken. Hij kijkt verbaasd en verward over zijn schouder en trekt zijn lijf weg. Ik haak mijn voet om zijn enkel. Geef hem een duwtje. Slowmotion. Hij zwaait met zijn armen. Blijft zweven in de lucht. Grappig, hij is net een windmolen zo.
Dan kantelt de tijd. Stort zijn logge lijf zich de diepte in. Klapt hij met zijn slaap op de rand van de boeg. Als een sneeuw engel ligt hij even met zijn armen wijd bovenop het water. Dobbert vredig voordat hij naar beneden zakt. Verzwolgen wordt door het ijskoude water. In gedachten.

Jan heeft gelijk spijt van het schreeuwen. Telkens weer doet hij het. Dan schiet hij uit zijn slof en ziet hij haar ingehouden woede. Het schaamrood op haar wangen, alsof ze een kind is dat gecorrigeerd wordt. De ogen die vol schieten en het zenuwtrekje bij haar mond. Dan wordt hij vervuld met spijt. Spijt. En voldoening. Een lekker gevoel van macht stroomt door zijn borst. Moet ze ook maar luisteren. Vroeger was ze nog zo lief. Zijn meisje. Kroop ze op zijn schoot. Godverdomme, zo geil was ze. Mooie ronde billen, een lekker buikje om in te knijpen. Sterke benen. Daar is weinig van over. Zeker toen ze ineens besloot om d’r haar kort te knippen. Als een kerel. En inspraak had hij niet.

Godverdomme kut… D’r kutje. Zo lang niet meer gevoeld. Meer iets uit een droom van vroeger. Nu kijkt hij naar die van andere meiden. Jonge meiden. Op die trage kut computer. Hij kijkt naar dellen op z’n Dell. Nu probeert ‘ie d’r voornamelijk te negeren. Een kermend gevoel raakt hem in zijn onderbuik als hij haar vanuit de keuken behoeftig ziet kijken. Aandacht ziet vragen. Naar ‘m ziet loeren. Hij voelt zich lullig als hij zo doet. Als hij haar negeert. Maar het zit nou eenmaal niet in ‘m. Vroeger. Toen was hij een goede kerel. Maar die kerel is weg. En zij had samen met hem moeten vertrekken. Ze had beter moeten weten.

De beginakkoorden van “Sweet Child O’ Mine” gieren door de kamer. Het nummer doet me denken aan onze jeugd. Net zoals Axl Rose zingt. Jan kijkt me vragend aan terwijl hij zijn kop koffie aanpakt. 

Ik loop terug naar het aanrecht. Draai ongemerkt de dop van de groene fles dicht. Pak mn bh vast aan de beugel en sjor ‘m omhoog. Ik glijd met mijn handen over m’n zij naar mijn riem. Stop daar even en tik mezelf goedkeurend op de heupen.

Ik glimlach. Staar uit het raam. Alle achtergrondgeluid vervaagt. Alleen de muziek galmt nog door mijn hoofd. Volgende nummer. ‘Take me down to the paradise city, where the grass is green and the girls are pretty’. 

De glimlach wordt een grijns. Ik draai me om. Jan zit onderuitgezakt in de stoel. Zijn armen hangen van de zijleuningen. Ik gooi m’n hoofd achterover, handen in m’n nek en lach. Ik zie zijn leven aan mij voorbij schieten. Als een film. 

Zijn ogen zoeken de mijne door het gordijn van stof. Ha, nu zie je me.