Hemellichaam

Ik weet niet wanneer ik te groot ben geworden voor de hemel. Wanneer ik mijn plekje ben ontgroeid. Is dat iets wat gebeurd is zonder er bij stil te staan. Zo zonde. Zo iets belangrijks, verstopt in je herinneringen. Misschien al wel weggeduwt uit je hersenen, voor nieuwe nutteloze informatie. Zoals topografie en ruzies. Mijn plekje past niet meer. En heel stiekem lijkt het wel alsof ik in een nieuwe vorm moet groeien. Alsof de plek die ik nu heb te groot en overweldigend is voor me. Met te veel te doen, te veel keuzes. Niet meer op mijn buik hoog in de lucht. Zweven op gedachtes. Maar hier beneden. Met beide voeten op de grond. M’n billen op de rand van het bed. Pijnlijk zichtbaar voor een ieder die de kamer binnen komt lopen. Als een hert op een open veld. Die verstijft en angstig opkijkt. Bang om gezien te worden. De ogen wijd opengesperd. Zo voel ik me. Veel te zichtbaar. Ik laat me achterover vallen op het bed. Mijn handen liggen op mijn buik en ik kijk naar het plafond. Naar de onderkant van de hemel. Hoe rijk gevuld met figuren, dieren, kleuren en warmte mijn hemel altijd was. Zo wit en koud oogt het grote niets van het plafond. Al het moois van de hemel zal zich moeten verplaatsen naar het kamertje boven in mijn hoofd. Maar daar staat nu vanalles in. Ontelbaar veel zorgen en gedachten hebben zich opgestapeld daar. Als zo’n opslag container, waar je al je ouwe zooi in propt. En dan zit je ermee. Godver. De figuren uit mijn boeken. Uit mijn kindertijd. Die passen daar niet meer bij. Die druipen treurig af. Ze staan in een rijtje. Met lege blikken van weemoed in de rij voor de voedselbank. Afgedankt. Vergane glorie. Douwe Dabbert haalt een rood geruite zakdoek uit zijn magisch knapzak en wrijft theatraal een enkele traan weg bij Blinker. Blinker. Die met een gebroken hart zijn Bakfietsbioscoop vooruit duwt. ‘Ik ook, Blinker. Ook ik voel het liefdesverdriet. Ik hield van je. Je was mijn eerste liefde, toen nog niemand ooit naar me keek.’ Nu is mijn hoofd gevuld met werk. Met zorgen. Prijken er geen kleurige figuren meer op de voorkant van mijn boeken, maar serieuze teksten. Angstaanjagende titels met veelbetekenende subtitels en recensies van gewichtige mensen. Je kijkt me aan met een teleurstelling die door merg en been gaat. Want jouw liefde was zo zeker en vast. Onvoorwaardelijk. Doeltreffend als het zwart van de inkt op het papier. Nu ik dit schrijf, zie ik ze voor me. De schimmen uit mijn kindertijd. Blinker knipoogt en buigt zich voorover om de ketting op zijn fiets te leggen. Douwe Dabbert zwaait en vervaagt in de mist van het hedendaagse leven. En ik realiseer me. Ik ben te groot geworden voor de hemel, maar de hemel leeft in mij.